De slechte toestand van de sgraffiti op de voorgevel vereiste een dringende interventie. Stukken sgraffiti waren van de onderliggende pleisterlaag losgekomen en de mortel aan de oppervlakte was sterk aangetast door vorst en vochtigheid. Na onderzoek en studie van de mogelijke oplossingen stelde het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium voor om de pleistergrondlaag door middel van injectering opnieuw op de muur te fixeren. Uiteindelijk koos men ervoor om de loszittende fragmenten van de muur te verwijderen, een monnikenwerk dat werd uitgevoerd door Marc Henricot en Walter Schudel : 58 fragmenten werden met de scalpel losgemaakt en één voor één opnieuw op hun plaats bevestigd op een pleisterlaag van kalk en zand die beter bestand was tegen vochtigheid. De lege plekken werden opgevuld en geretoucheerd.
De sgraffiti in de voorste kamer op de benedenverdieping zaten verborgen onder een laag behangselpapier. Het was een delicate opdracht om deze decoratie vrij te maken, maar de schade bleek al met al mee te vallen en bleef beperkt tot krassen en de gaten van schroeven en spijkers die in de muren waren geslagen.